Op vijf juni verzamelde een viertal TCT’93-leden en een drietal collega wielrenners zich op het Besterdplein. Hier begon onze reis naar het welbekende stadje Roubaix. Eenmaal in Roubaix aangekomen zochten we het hotel op. Daar stalden we onze spullen. Daarna werden er inkopen gedaan en werd er naar een eetgelegenheid gezocht. We kwamen er al snel achter dat in het beroemde Roubaix normaliter maar weinig te doen is. Na een stevige wandeling kwamen we bij de plaatselijke Italiaan uit, die we aan het begin van onze zoektocht straal voorbij zijn gelopen. Na het nuttigen van een voorgerecht en een enkele pizza vertrokken we weer naar het hotel. Het was inmiddels elf uur. Hierdoor resten ons nog anderhalf uur slaap of beter gezegd rust. De deelnemers die zich voor de 170km hadden ingeschreven mochten nog iets langer blijven liggen.
Midden in de nacht verlieten we (Rik, Jan-Willem en Sjoerd) het hotel om naar de bus te gaan die ons naar het startpunt zal brengen. De bus bracht ons naar het plaatsje Cambronne. Daar stonden we dan in Cambronne om vier uur in de ochtend met zo’n 255km in het vooruitzicht. Na het ophalen van de ‘carte de route’ gingen we van start. Mijn eerste meters van ‘Paris-Roubaix’ waren een feit. De eerste kilometers trapten zeer gemakkelijk weg. De ‘snelle jongens’ uit Spanje snelde ons als gekken voorbij. Die komen we nog wel tegen zeiden we tegen elkaar. En wat bleek, sneller dan gedacht. Bij de eerste noemenswaardige verhoging in het glooiende landschap, lieten ze zich als makke lammetjes naar de slachtbank leiden. Die jongens die krijgen een zware, hele zware dag. De tocht zette zich voort. Na 82km te hebben weggetrapt kwamen we aan bij de laatste rustplaats voor de kasseien. Dit was in Bohain-en-Veramondois.
Eigenlijk hadden we tot hier, maar weinig van Parijs-Roubaix gezien. Het reed allemaal zo gemakkelijk. Zoveel makkelijker dan de Nederlandse wegen en het was prachtig weer.

Na deze rustplaats moest het dan toch echt gebeuren.
De kasseien komen eraan. Eindelijk ga ik ervaren hoe het is om over de keien heen te rijden. Het extra stuurlint en de bredere 25 millimeter banden moeten hun werk gaan doen. De eerste strook lag op 97km. Het is de ‘Pavé de Troisvilles’. Een strook van 2200 meter die in het begin naar beneden loopt. Daar gingen we dan. In de eerste meters over de keien knalde ik met mijn knieën tegen de ophoging langs de weg aan. Nadat ik de schade opgenomen had pakte ik direct mijn fiets weer om de tocht voor te zetten. Ik wist wel dat de keien die dag niet mijn specialiteit zouden zijn.
Het verloop van de rit op de stroken begon al snel op elkaar te lijken. Aan het eind van de strook stonden Jan-Willem en Sjoerd te wachten waarna we na een kleine rustpauze onze koers weer verder zette. Op één strook kon ik echter redelijk volgen. Dit verbaasde ook mijn metgezellen. Deze strook ging omhoog en eindigde in een rustige afdaling. Eenmaal ten hoogte van Solesmes (117km) voelden we de eerste regendruppels. Zouden we dan toch een echte Hel voorgeschoteld krijgen. Hier begon niet alleen de regen. De eerste verschijnselen veroorzaakt door de slechte wegen zijn vanaf nu te voelen in het lichaam. Op de stroken raken je handen verkrampt waardoor ze niet meer van het stuur te krijgen zijn. Losjes vasthouden van het stuur is niet meer mogelijk. Knijpen in het stuur is het enige wat je nog kunt doen. Het ergste van alles zijn echter de armspieren die bij ieder verplaatsing op de kaseisen als een jeu de boule bal op je armen lijken te knallen.
Op het punt van 157km staat ons iets speciaals te wachten. Hier ligt namelijk de strook der stroken, hier begint de ‘Tranchée d’Arrenberg’. Op het moment dat wij eroverheen mogen gaan rijden is deze speciaal geprepareerd door de onweersbuien die over het franse land heen vallen. De strook ligt er slecht, erg slecht bij. Naast de kasseien ligt een smal strookje asfalt waarover het gros van de renners heen dendert. Voor ons is dit echter ondenkbaar. Wij zijn immers gekomen om een echte ‘Paris-Roubaix’ te beleven. Met zijn drieën vervolgen we ons pad dan ook over de kasseien door het Bos van Wallers. In principe liggen hier de kasseien het slechtst, maar door de extra drive die je voelt omdat je niet over dat strookje asfalt gaat, maar recht over de keien lijkt alles mee te vallen. Vooral het gras tussen de keien werkt verlichtend. Aan het eind van deze strook worden de renners verwelkomt door het publiek dat speciaal voor deze tocht langs de weg is gaan staan.

Na het Bos van Wallers volgen er nog een behoorlijk aantal stroken. Waaronder de ‘Pavé de Hornaing’ die door zijn lengte van 3700 meter erg zwaar is. De stroken liggen er vanaf nu nat en glad bij. Stompend op de pedalen vervolgen we onze weg naar Roubaix. We zien verschillende mensen die langs de kant bezig zijn om hun bandjes te vervangen. Gelukkig hebben wij deze tegenslagen niet gehad. Ik moet er niet aan denken om met de verkrampte handen een band te moeten vervangen. In Roubaix aangekomen namen we de laatste kasseien strook richting het stadion. Bijna niemand nam deze laatste strook. De speciaal aangelegde strook (‘Pavé Charles Crupelandt, 300 meter) voelde aan als geen andere. Heerlijk reden deze steentjes.
Eenmaal in het Vélodrome van Roubaix aangekomen restte ons nog een rondje door het stadion. Het stadion dat er helemaal niet zo mooi uitziet als op de televisie. Niks geen gladde racebaan, maar eentje met scheuren en een laagje water over de binnenste rand van de baan. Hier sloot de rit van 255 kilometer zich. De rit die wij met een helemaal niet zo’n gek gemiddelde van 25.1 km/h hebben afgelegd. Als aandenken hebben we stempelboekje, een bidon en een diploma gehad. 2008 staat erop het diploma. Na 255km zware strijd zijn alle renners beloond met een diploma uit een verkeerd jaar. Al met al is het avontuur van Parijs naar Roubaix mij meegevallen. Het is zwaar, maar het blijft toch nog steeds een kwestie van doortrappen.
Rik Rijnen
|